C C F G7 C
[Verse 1]
C C F G C
Ik kom uit Nederland, dat is mijn eigen vaderland;
F G7 C F G7 C
daar spreek ik dus mijn moedertaal, dat vind ik heel normaal.
C C F G C
Ik kom van België, dat is m'n eigen Vlaandrenland,
F G7 C F G7 C
al spreken wij dezelfde taal, maar toch niet helemaal.
[PreChorus]
G7 C G7 C
Want zeg jij: leuk, dan zeg ik tof, ik heb vakantie, jij verlof.
F C D7 G G7
En gij zijt jarig, ik verjaar en zeg jij: aardig, zeg ik: raar.
[Chorus]
C C F C
Al zijn er ook verschillen, het maakt voor God niet uit,
F C D7 G7
voor kinderen die willen is er geen Noord of Zuid.
C G7 C G7
Harde g of zachte g, we wonen aan dezelfde zee;
C C F G7 C A7
België en Nederland, reik elkaar de hand.
[Verse 2]
D D G A D
Jij woont in België, dat is voor ons het frietjesland,
G A7 D G A7 D
dat lijkt ons dus wel ideaal, maar, o, die rare taal.
D D G A D
Gij woont in Nederland, het cola-met-tien-rietjesland,
G A7 D G A7 D
we vinden jullie heel brutaal of ligt dat aan die taal.
[PreChorus]
A7 D A7 D
Want zeg jij: ui, zeg ik: ajuin en zeg jij: hof dan zeg ik: tuin.
G D E7 A A7
En wie noemt kwark nou platte kaas, maar wie lust er nu pindakaas.
[End-Chorus]
D D G D
Al zijn er ook verschillen, het maakt voor God niet uit,
G D E7 A7
voor kinderen die willen is er geen Noord of Zuid.
D A7 D A7
Harde g of zachte g, een kopje of een tasje thee,
N.C.
kopje, tasje, kopje, tasje, oké,
D A7
maar neem dan wat pralientjes mee. Pralinekes!
D D G A7 D
België en Nederland, reik elkaar de hand. Hoi!