Ballade Van de Mollige Margot

Ernst Van Altena

    Continues after the ad

    Ik min haar en ik dien haar met plezier
    Ben ik daarom soms dwaas of zonder eer
    Ik ben haar kamerdienaar en cipier
    En voor haar liefde grijp ik schild en speer
    Komen er klanten, dan legt zij zich neer;
    Ik neem zolang de wijnkruik op mijn schoot
    Ik breng hen water, kaas of fruit en brood
    En als ze goed betalen zeg ik: "Vriend
    Kom weer wanneer de bronst u daartoe noodt
    In dit bordeel dat ons tot woning dient"

    Soms, als Margot uit bed komt zonder geld
    Maak ik me kwaad. Zo maakt ze mij tot schand
    Dan haat ik haar, dan bulder ik en scheld
    En neem haar keurslijf en haar jak ter hand
    En schreeuw dat ik die houd als onderpand
    Dan gaat zij als een dollevrouw te keer
    En vloekt zelfs bij de kruisdood van de Heer
    Vervolgens sla ik haar, dat is verdiend
    Maar waar ik haar ook sla, zij slaat mij weer
    In dit bordeel dat ons tot woning dient

    Continues after the ad

    Dat lucht ons op. Ik laat een harde wind
    Die als een mesttor stinkt door heel ons kot
    Ze lacht erom en knijpt mij welgezind
    In bil en been en buik en noemt mij zot
    En dronken slapen wij als een marmot
    En na 't ontwaken zoekt zij haar verblijf
    Boven op mij, want in haar mollig lijf
    Rust onze vrucht, die tere zorg verdient
    Ik steun en kreun onder dat warm bedrijf
    In dit bordeel dat ons tot woning dient

    Vorst, hagel, sneeuw en storm gaan mij voorbij
    Ik dien de ontucht en de ontucht mij
    Luid lach ik om de huwelijkse staat;
    Lood om oud ijzer! Geld om liefdesdaad
    Oneerbaarheid is mijn geeerde vriend
    Naar eer verlang ik niet, mij telt de baat
    In dit bordeel dat ons tot woning dient

    Song details

    Composition: Foco and E. Du Bois

    Did you see an error?

    Enviar revisão

    Related songs