Job's klacht

Fons Jansen

    Continúa después del anuncio

    Wat is er, God, dat u mij overstelpt met gaven
    Wat is er, dat u mij overlaadt met zegeningen?
    Waarom moeten anderen worden beproefd
    Met armoede, schande, ziekte en angst?
    Denkt u dat ik zo'n proef niet zou doorstaan?
    Is het daarom dat u mij beveiligt in welvaart?

    Waarom zet u mij klem in rijkdom, in weelde
    Zodat er geen ruimte meer blijft voor een wens?
    Waarom hecht u mij aan u vast met geschenken
    En bindt u mij levenslang met verplichtingen?
    Zou ik zonder beloning niet trouw zijn aan u?
    Moet mijn geloof met bezittingen worden gekocht?

    Hoe kan ik nog bidden tot u als mijn redder
    Wanneer u mij plaatst in een aards paradijs?
    Als niets me ontbreekt, wat blijft er te vragen
    Waar leef ik op aan, als ik alles al heb?

    Toen ik dacht over wat u hiertoe heeft bewogen
    Toen geloofde ik het spel dat u speelt te doorzien
    Kwam het ooit voor dat een mens werd gezegend
    Zonder dat alles hem weer werd ontnomen?
    Noem mij een mens die geluk mocht behouden
    Bij wie het geen voorloper werd van verdriet?

    Continúa después del anuncio

    Uit het magere jaar zien we uit naar het vette
    Ons hart is verheugd door de hoop op wat komt
    Als het vette er is en het hart wordt verzadigd
    Bekruipt ons de vrees voor een kerend getij

    Wat heeft het voor zin dat u geeft en weer afneemt?
    Waarom zijn uw gunsten nooit eens en voorgoed?
    Zo maakt het bezit me maar bang en wantrouwend
    Want die het me gaf, komt straks terug als een dief

    Als de mensen mij zien, hoor ik rondom gefluister
    Mijn vrienden van vroeger, ik ken ze niet meer
    De een zegt: "Die voorspoed is loon voor je deugden
    Want zonde baart rampspoed, maar godsvrucht geluk"
    De ander: "Geen kunst om in welvaart en weelde
    Een vrome te zijn voor het aanschijn van God"
    Een derde: "Mijn leven was een en al trouw aan de wet
    Waarom moet ik lijden als Job wordt gezegend?"

    Ik durf mij bij armen al niet meer vertonen
    Want zie, mijn bezit wekt hun afgunst en haat
    Mijn voorspoed maakt enkel hun pijn nog maar erger
    Ze vragen zich af, wat ze hebben misdaan

    Ik hoor al uw raad: "Deel je rijkdommen uit
    En geef de behoeftigen van je bezit"
    Maar krijg ik in ruil daarvoor eerlijke vriendschap?
    Slechts afstand en achting, gekruip en gevlei
    Want iedere gift wordt een muur tussen mensen
    De gever vereenzaamt maar van wat hij heeft

    Omdat u 't bezit onrechtvaardig verdeelde
    Moet ik het dan zijn die die fout weer herstelt?
    Ik ben ooit verplicht om mijn broeder te hoeden
    Maar moet ik nu ook nog gaan toezien op God?

    Zo vullen zich dagen en nachten met peinzen
    Wat dankbaarheid was wordt ten slotte verwijt
    Bezit is een last en de rijkdom beproeving
    Ik lijd dit teveel tot u anders beschikt

    Información de la canción

    Composición:

    ¿Los datos están equivocados?

    Enviar revisión