Gerard (In memoriam)

Robert Long

    Continúa después del anuncio

    Vorige maand is Gerard van der B. begraven
    Dik in de zeventig denk ik dat ie wel was
    'De kruidenier', de naam die wij hem destijds gaven
    Schoot door mijn hoofd toen ik de advertentie las

    Ik zal zo'n jaar of 16, 17 geweest zijn
    Ontluikend homo in een middelgrote stad
    En in het weekend zou er, bij een vriend, een feest zijn
    Een nichtenfuif. En ddaar kwam Gerard op mijn pad

    Het feest was ergens in een kelder aan het water
    Er hingen zwarte vissersnetten aan 't plafond
    Ik vond het eng, er werd gedanst, er klonk geschater
    En toen opeens gleed er een hand over mijn kont

    Ik keek en zag een dunne, kale man met bril staan
    Z'n bolle ogen puilden bijna uit z'n kop
    Hij zei: Ik raakte zo maar eventjes je bil aan
    Ik siste: Sodemieter godverdomme op

    Die avond leerde ik een aantal mensen kennen
    Ik dronk jenever en ik danste met een man
    Ik moest aan al die dingen nog ontzettend wennen
    En al die tijd zat brillemans achter me an

    Een mooie jongen, die soms even naar me lachte
    Kwam naar me toe en zei: Hallo, ik ben Rogier
    Hij doet je niks. Het is gewoon een halve zachte
    Ik noem hem voor mijzelf Gerard, de kruidenier

    De hele avond bleef ik om Rogier heendraaien
    En zag 'de kruidenier' soms even bij hem staan
    Rogier liet zich gewoon over z'n billen aaien
    Toen 't feest voorbij was zijn wij, samen, weggegaan

    Rogier was twintig, hij gedroeg zich heel volwassen
    En seksueel was ie volkomen ongeremd
    Ik zag voor 't eerst een jongen in de wasbak plassen
    Naar mijn idee waren we voor elkaar bestemd

    Rogier wist over Gerard allerlei verhalen
    Hij was getrouwd, en had een winkel in de stad
    En wou alleen maar seks wanneer hij mocht betalen
    Dus ging Rogier wel eens, als ie geen geld meer had

    Continúa después del anuncio

    Volgens Rogier was Gerards vrouw nogal een vrome
    Er was een zoontje en een goed beklante zaak
    En 's zondagmorgens liet hij jongens bij zich komen
    Als zij ter kerke was. Helaas 1 keer te vaak

    Rogier vertelde dat hij die bewuste morgen
    De kruidenier voor vijftig piek bevredigd had
    Maar dat zijn vrouw zich blijkbaar ergens had verborgen
    En hoe zij plotseling de slaapkamer betrad

    En Gerard stond daar, met z'n uitpuilende ogen
    Rogier, die zich in allerijl had aangekleed
    Was door de tuin, over de schutting heen gevlogen
    We moesten lachen. Jonge mensen zijn vaak wreed

    Tussen Rogier en mij is het niet veel geworden
    Het klikte toch bij nader inzien niet zo goed
    Op Gerards winkel stond 'te koop' op gele borden
    Hij was gescheiden en z'n zaak was doodgebloed

    Zaterdagavond laat, het gutste van de regen
    Ik kwam van vrienden, het was somber in de stad
    Ik was te voet en kwam - na twee jaar - Gerard tegen
    Hij zag eruit of hij teveel gezopen had

    Hij keek me aan, zijn ogen waren bloeddoorlopen
    En puilden, erger nog dan vroeger, uit z'n kop
    Toen brak een glimlach zijn gezicht heel even open:
    Jij bent die knul die zei: He, sodemieter op

    Hij stond erop, de kroeg in voor de laatste ronde
    En hij vertelde van z'n treurige bestaan
    Zijn zaak, zijn scheiding en nog iedere seconde
    Miste hij John, zijn zoon, daar dacht hij altijd aan

    Hij had een baantje bij de overheid gevonden
    En in het weekend nam hij hoerenjongens mee
    Die hem dan sloegen en hem aan zijn bed vastbonden
    Tegen betaling. En daarna naar het cafe

    Zijn hele leven was volledig naar de kloten
    Ik ben pas veertig, zei hij, en het is voorbij
    Ik voel me nutteloos en oud en uitgestoten
    Voor 't eerst in maanden een gesprek zoals met mij

    Had ik nog zin een eindje met hem mee te lopen?
    (Waar woon je? Oh, da's niet zover bij mij vandaan)
    Het was nu droog, hoewel de bomen droevig dropen
    En ik ben (medelij?) mee naar z'n flat gegaan

    Nou ja, z'n flat! Een uitgeleefde kamer
    Een bed, een kast, een bank, een tafel en een stoel
    Een dodencel was volgens mij nog aangenamer
    Ik kreeg een beetje een onbehagellijk gevoel

    Maar ik was jong en ik geloofde in het goede
    Noem het maar christelijk, humaan of infantiel
    Nou, hoe dan ook, het ging hem blijkbaar om mjn roede
    En ik had medelijden met de arme ziel

    En ik wou nobel zijn en menselijk en edel
    Hij was bezopen, knielde voor me op de grond
    En ik keek neer op die bezwete, kale schedel
    Zijn bolle ogen en zijn kwijlerige mond

    Toen het voorbij was, stond hij klaar met vijftig gulden
    Ik zag die bolle ogen, en die kale kop
    Ik wou die dodencel ontvluchten, en ik brulde:
    Ach klootzak, sodemieter godverdomme op

    Vorige maand is Gerard van der B. begraven
    Zijn zoon heeft blijkbaar nog zijn laatste eer gered
    'De kruidenier', de naam die wij hem destijds gaven
    Is samen met zijn trieste leven, bijgezet

    Ik dacht: Je wilde blijkbaar je gevoel verzwijgen
    Je leefde, maar je speelde altijd dubbelspel
    Je kunt het na je dood gewoon niet rotter krijgen
    Je was de laatste veertig jaar al in de hel

    Información de la canción

    Composición:

    ¿Los datos están equivocados?

    Enviar revisión